De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) slaat alarm op basis van cijfers uit 2024 en 2025. In de WHO-Europese regio voeren zorginstellingen slimme software voor diagnoses sneller in dan landen regels opstellen die specifiek op de zorg zijn toegesneden. Daardoor groeit, zegt de WHO, de afstand tussen het gebruik van die technologie en de manier waarop die wordt bestuurd, met gevolgen voor patiëntveiligheid, aansprakelijkheid en vertrouwen.
Volgens de WHO is die achterstand inmiddels een serieus risico voor patiëntveiligheid, aansprakelijkheid en vertrouwen. Grijpen landen nu niet in, dan wordt die kloof in de governance alleen maar lastiger te dichten.
Wie naar de cijfers over 2024 en 2025 kijkt, ziet meteen hoe scheef dat ligt. Uit een WHO-enquête onder 53 landen in de Europese regio blijkt dat 8% een specifieke strategie heeft voor het gebruik van kunstmatige intelligentie (AI) in de zorg. Intussen is de technologie in de praktijk al veel verder ingeburgerd: bijna twee derde gebruikt AI voor diagnostiek en ongeveer de helft zet geautomatiseerde chatbots in voor patiënten, blijkt uit diezelfde enquête.
Op het bredere beleidsniveau ziet het beeld er anders uit. De WHO meldt dat 85% van de EU-lidstaten inmiddels wél een algemene, sectoroverstijgende AI-strategie heeft. Maar een plan dat rekening houdt met medische risico’s, klinische verantwoordelijkheid en zorgspecifieke data ontbreekt in de meeste landen nog altijd. De WHO wijst daarbij op:
- het ontbreken van zorgspecifieke strategieën, terwijl de technologie al op grote schaal wordt ingezet voor diagnostiek en patiëntcontact;
- verantwoordelijkheid als kernprobleem, omdat de discussie volgens WHO-regiodirecteur Hans Kluge allang niet meer alleen over innovatie draait;
- bevooroordeelde algoritmen die, aldus de WHO, tot verkeerde diagnoses kunnen leiden;
- systemen waar artsen en verpleegkundigen steeds vaker mee móéten werken, zonder dat ze die goed kunnen doorgronden of controleren;
- onduidelijke aansprakelijkheid als een systeem een verkeerd advies geeft, waardoor onhelder blijft of de arts, het ziekenhuis, de leverancier of de overheid verantwoordelijk is;
- wetgeving die achterblijft, want volgens de WHO heeft minder dan de helft van de landen onderzocht of de bestaande regels wel geschikt zijn voor dit soort toepassingen in de zorg;
- ethische richtlijnen die nog ontbreken, aangezien bijna 40% van de landen daar in de gezondheidszorg volgens de WHO nog niet over beschikt;
- scholing als zwakke plek, omdat volgens de WHO slechts ongeveer 20% van de landen tijdens de opleiding onderwijs over deze technologie aanbiedt en circa 25% bijscholing of training op de werkvloer verzorgt.
Dat is juist problematisch omdat artsen, verpleegkundigen en andere professionals de uitkomsten van zulke systemen wel moeten kunnen beoordelen, zegt de WHO. Zonder basiskennis wordt menselijke controle al snel een vinkje op papier in plaats van een echte veiligheidslaag.
Tegelijk ziet de WHO ook duidelijke voordelen. In 98% van de lidstaten wordt betere patiëntenzorg genoemd als de belangrijkste reden om deze technologie te omarmen. In Coimbra, in Portugal, helpt geautomatiseerde beeldanalyse bijvoorbeeld om thoracale aandoeningen en botbreuken sneller op te sporen, wat de wachttijden verkort, aldus de organisatie.
Europa probeert die achterstand in de regelgeving intussen in te lopen met de nieuwe Europese verordening voor AI, die in augustus 2024 van kracht werd. Daar komt nog iets bij: vanaf augustus 2026 krijgt de zorg in Europa te maken met strengere eisen voor sectoren met een hoog risico, waaronder de gezondheidszorg. Voor medische toepassingen gelden dan extra voorwaarden rond datakwaliteit, transparantie en menselijk toezicht.
De WHO dringt daarnaast aan op meer internationale afstemming. In juli 2026 organiseerde de organisatie samen met Portugal in Lissabon een conferentie met vertegenwoordigers uit 37 landen. Portugal werkt volgens de WHO bovendien samen met andere Portugeestalige landen aan een gezamenlijke routekaart voor de zorg, die in 2028 moet verschijnen.